Bij de Olielamp – Rolf Gerssen

In de rubriek Bij de Olielamp van de Bulletalie interviewt Martijn elke keer weer een andere botteraar. Omdat hij Lars Doornbos niet kon vinden, is hij naar Leeuwarden afgereisd om daar bij Rolf Gerssen op bezoek te gaan. Er werden die avond meer herinneringen opgehaald dan er in de Bulletalie pasten. Hier lees je het hele verhaal.

In den beginne

Rolf houdt een t-shirt omhoog met daarop gestencild: “Harpyia ‘62”. 
“Dit is het jaar dat ik aangekomen ben in Delft, dus ik heb het begin meegemaakt van het feest. Zowel de eerste als de tweede botter, want we hebben natuurlijk eerst de BU122 gehad. Dat duurde niet zo heel lang en die heeft ook flink onder water gelegen, maar dit logo (wijzend op de voorkant van het eeuwlustrumboek uit 1975), dat komt nog uit de tijd van de eerste. Dat is door Gert Doornik gemaakt.” Dat het een sterk logo is blijkt wel uit het feit dat nu ook nog steeds gebruikt wordt als logo van de stichting.

Een jaar nadat Rolf lid werd is Harpya voor het eerst gaan varen. “Toen zijn we een weekje met twee botters gaan varen in Friesland. Dat waren de BU130 en de “Hou vol”, beide oude brakke schepen. Dat was eigenlijk het begin van het echte zeilwerk van Harpya, want ik geloof niet dat ze voor die tijd al gevaren hadden. Het was ook mijn eeste ervaring met zo’n groot schip en ik was diep onder de indruk van hoe zo’n schip vaart, ook al had ik al veel gezeild. Ik had zelf namelijk een Akkrummer jolletje, een oude, uit eiken gebouwd, maar die heb ik verkocht toen ik in Delft ging studeren. Platbodemvaren, dat zat er vroeger al in en ben ik nooit meer kwijtgeraakt.”

Ben je ook schipper geworden op Trui?

“Ja. Ik heb het al vliegend geleerd, want het was de eerste keer dat ik op zo’n groot schip voer. Dan ga je gewoon varen en zeg je dat je het kan. Als er niet te veel ongelukken gebeuren dan gaat het goed, toch? Maar we deden ook wel voorzichtig hoor.
Een keer in een verslag stond een lijst met alle schippers vermeld en daar stond ik niet bij potverdorie! En ik kan bewijzen dat ik schipper ben geweest, want er is ergens een verhaaltje uit het logboek over een schipper die zijn petje verloren was. Die was afgewaaid en dat was een zwart petje met een rode pluim. De schipper was in die week ook jarig, dus hij kreeg voor z’n verjaardag van de opvarenden een nieuw petje. Dat rode petje had mijn oma gemaakt. Dus dat kan niet missen, dat was ik. Die week heb ik geschipperd met Nico Teiken.”

Hoe werd Trui gekocht?

Als we het nu over Trui hebben, dan bedoelen we de BU130, maar daarvoor was er natuurlijk de BU122 en die heette ook Trui. Hoe is dat eigenlijk gegaan?
“Er waren wel meer clubs in Leiden en Delft (de Bond ook volgens mij) die een botter hadden en wij huurden al een tijdje de BU130. Op een gegeven moment vonden we dat we ook ons eigen schip wilden hebben, opdat we zelf aan de slag konden en niet meer afhankelijk waren van de plannen van een ander. De BU122 lag toen te koop en we hadden het geluk dat de vader van Frits Marckmann ons financieel wilde ondersteunen, want daardoor konden we hem vrij snel kopen. Toen hadden we dus eindelijk ons eigen schip.”
In een oud artikel wat op tafel ligt lees ik: “Hoewel de BU122 helemaal was ingeblikt waren de huid en bijna alle spanten en knieen in goede staat. Het zeilwerk zat er nog stevig in, zwaarden waren alleen aan de kop wat beschadigd”
Rolf: “Dat was een eerste indruk, nog niet zo heel deskundig. Die BU122 leek in eerste instantie een mooie aankoop, maar dat bleek toch niet zo’n beste te zijn. We hebben er flink wat problemen mee gehad en toen ze gezonken was, zeiden we: we moeten er vanaf. Dus die hebben we weer snel verkocht en met dat geld hebben we de BU130 gekocht. Die had kort daarvoor een flinke aanvaring gehad, maar er was op kosten van de verzekering een hele nieuwe kop ingebouwd. Er zaten flink wat nieuwe gangen in en we kenden het schip al omdat we het een paar keer gehuurd hadden. Dat was dus een goede basis en we konden hem vrij schappelijk kopen.”
Dat de BU122 in niet zo’n beste staat verkeerde blijkt ook wel uit het volgende verhaal.

Slingerend schot

“Op een tocht van Enkhuizen naar Lemmer in ‘64 zijn we in de fout gegaan door verkeerd te sturen. Daardoor raakten we op het Enkhuizer zand en da’s niet zo best, maar we zijn er uiteindelijk door een visser weer afgetrokken. Het was inmiddels nacht geworden, maar we zijn toch maar doorgevaren naar Lemmer. Tijdens de tocht begon het toch wel harder te waaien en toen we eenmaal aan lagerwal bij Lemmer zaten ging het schip wel erg slingeren. We kregen de wind van achter dus we hadden ook niet echt steun aan de zeilen. Toen zagen we op een gegeven moment de planken van het schot langs elkaar schuiven. Dat was niet best, geen fijne rit. Maar goed, we zijn goed aangekomen gelukkig, maar daarna zijn we wel terug gegaan door de polder. Dat kon toen nog, omdat er eigenlijk alleen nog maar draaibare bruggen waren in plaats van de vaste die je nu hebt. Dus we zijn door de polder terug gegaan via Vollenhove naar het Zwarte Water. Daar hebben we ook wel een stuntje uitgehaald…”

Paling jatten

“De brandstof was op een gegeven moment op, dus ben ik met Sjef van Dooremalen van boord gestapt en gaan liften door die polder om te kijken of we ergens benzine konden krijgen. Dat is wel gelukt, maar toen we weer terug kwamen zagen we dat de club scholieren die achter gebleven was een fuik had geleegd. De visser kwam er net aan met zijn vletje en die is meteen doorgevaren naar de Ramspolbrug om die dicht te laten zetten, opdat wij er niet meer uit konden. Toen zijn de schipper en een maat van boord gehaald door de politie, die hebben een nachtje in Kampen gelegen. Er werd veel gestroopt in die tijd en nu had die visser eindelijk een dader te pakken. Geef hem eens ongelijk.
Dat was niet echt leuk en we zijn daar ‘s nachts maar bij die brug blijven liggen. De volgende ochtend mochten we doorvaren en zijn we het Ketelmeer opgevaren toen er op een gegeven moment een hele grote politieboot uit Kampen kwam om onze schipper weer aan boord zetten.”
Ze kwamen hem wel weer netjes afleveren?
“Ja, we hoefden hem niet af te halen uit Kampen. Maar wij hadden al gezien dat er in die fuik hele dikke palingen zaten en er waren een paar weggeschoten in de voorhoos het vooronder in. Tot we weer gingen varen, toen kwam ie zo tevoorschijn en konden we hem pakken. We hebben hem geslacht, gebakken en toen de politie aan boord kwam was het bakken net klaar! De politie hebben we maar niets aangeboden, dat durfden we niet aan.
Het was geen beste beurt, maar het is natuurlijk een mooi verhaal om nog eens even te herinneren.”

“Wat heeft je bezield om daarmee door te gaan?”

In mijn vorige interview vroeg Gert Jan zich af: “Wat heeft hen in hemelsnaam heeft gestuurd om zo’n klomp te kopen en dan niet na het eerste jaar te zeggen van ‘hoi, nu hebben we een vreugdevuurtje’?”
Rolf: “Een vuurtje is gauw voorbij. Daar heb je niet zoveel plezier van. Er waren een heleboel beginnende zeilers die ook heel weinig ervaring hadden met zo’n groot schip. Frits Marckmann had de meeste zeilervaring aangezien hij vroeger veel had gevaren op zee als bemanningslid. Die had de nodige ervaring, maar de rest was vooral helemaal flabbergasted van de eigenschappen van zo’n botter. Het avontuur wat je ermee kon beleven, die kans laat je niet lopen. Het was een enthousiast clubje zeilers en die staken elkaar aan. Het was natuurlijk een heel mooi avontuur om zo’n schip vaarklaar te maken en te zorgen dat ie in de vaart bleef.”

Studie

“Het varen heeft mij ook wel wat studietijd gekost, dat moet ik eerlijk toegeven. In Delft ging mijn studie niet vlot genoeg, dus ik ben voortijdig afgehaakt toen ik in militaire dienst moest. Na mijn dienst ben ik in Twente verder gegaan, want mijn vrienden waren intussen al een stuk verder. Daar heb ik het na bijna acht jaar afgemaakt en dat is lang, maar ik heb wel een hele leuke tijd gehad.”

Heb je ook veel aan Trui getimmerd?

“Niet echt. Aan Trui heb ik wel getimmerd in het begin, maar dat is vooral wat klooien op de helling en zorgen dat de naden weer dichtgebreeuwd waren. In die tijd was het oplappen en af en toe wat blik erop zetten; dat was de hoofdzaak, verder kwamen we nog niet. We hadden geen cent meer te makken. We zijn met de BU122 met verhuur begonnen en met de BU130 zijn we daar direct mee doorgegaan. Het was toch wel een hele organisatie daar omheen die dat deed.”

Een eigen Jol

Inmiddels heeft Rolf zijn eigen boot waar hij de nodige tijd mee doorbrengt. “Mijn vrouw en ik zijn in Twente getrouwd en hebben toen vrij snel een jolletje gekocht. Het zijn net klompjes, varen altijd en ontzettend zeewaardig. Het hobbelt wel wat natuurlijk dus het is niet zo comfortabel allemaal, maar je komt er overal mee als je de tijd neemt. Het is ook een stuk beter te overzien dan een privébotter.
Toen ik hem kocht zat er nog een kajuitje op en het was verschrikkelijk slecht gerestaureerd, maar ondanks een drukke baan waarvoor ik veel op reis was zag ik in de winter toch altijd wel weer een kans om dat jolletje op de kant te krijgen en er aan te timmeren. Het is nu een heel originele jol geworden. Een varend monumentje, ik heb hem erkend gekregen. We hebben er uiteindelijk twintig jaar over gedaan en ik vaar er nu alweer 37 jaar mee.”

Een kleine wereld

Met de Jol is Rolf ook lid geworden van Verenging Botterbehoud, waar hij veel op trok met Gert Jan. “Gert Jan kende ik al heel goed. Niet tijdens of vanwege het bottervaren, maar wij hebben allebei een aantal jaren in het bestuur gezeten van de Vereniging Vrienden van het Zuiderzeemuseum. Daar zijn we elkaar tegen gekomen en leerden we van elkaar dat we een gezamenlijke botterhistorie hadden. Dat hebben we goed kunnen gebruiken, want in de tijd dat we daar zaten, waren er erg veel directiewisselingen. Dat was niet makkelijk, maar we hebben toch wat initiatieven kunnen nemen, zoals het openstellen van ligplaatsen voor Vereniging Botterbehoud in de Markerhaven. Op die manier hebben we toch het hele botterwezen een beetje kunnen stimuleren.
Wat ook wel aardig is: we hebben met het jolletje dus heel veel in Nederland gevaren, maar we hebben ook veel gevaren met Frits Marckmann die op een gegeven moment de (hengst) Jonge Joseph heeft gekocht. Op de botter voeren we altijd al veel samen en dat hebben we doorgezet op zijn hengst. We hebben veel grote reizen gemaakt naar Scandinavië, Engeland, Italië. Als ik bedenk wat voor reizen ik met dat schip heb gemaakt, dan is dat toch wel uniek hoor. Dankzij Frits kon dat georganiseerd worden, want hij zorgde ervoor dat hij zoveel vrienden om zich heen verzamelde dat er elke keer weer een stukje gevaren kon worden. Ik vind het fantastisch dat ik dat heb mogen meemaken. Het meest spectaculaire was dat we op zeil Venetië binnengelopen zijn. Ik zit nu nog als bestuurslid in de stichting Luctor Emergo die de hengst beheert. Daardoor zien we elkaar nog regelmatig.”

Blazer

“Wat het varen betreft is er in 2004 is er een nieuwe fase ingegaan. Ik was officieel nog niet met pensioen, maar wel uit het werk geraakt en ik adviseerde alleen nog hier en daar. Toen ben ik gevraagd door een van mijn bekenden van Botterbehoud (Richard Klaver) om eens te komen kijken in Den Helder, want hij was daar bezig met de blazer TX33. Dus toen ben ik een keer gaan kijken in Den Helder en ik was diep onder de indruk. Een paar weken later belde hij nog eens op en zei dat hij eens langs wilde komen met een voorstel.
Er waren een aantal problemen. Het geld hield op in Noord-Holland, dus ze moesten uitkijken naar een nieuwe plek en het was al in zicht dat ze naar Makkum zouden gaan. Karel Helder was wethouden en voorzitter van Botterbehoud, dus hij heeft ons geholpen om daar een netwerkje op te bouwen. De penningmeester verhuisde helemaal naar Zeeland toe, dus daar wilden ze eigenlijk ook afscheid van nemen. Zo ben ik penningmeester geworden en heb ik geholpen het schip naar Makkum te brengen. Ik was de enige uit het bestuur die in Friesland woonde dus ik mocht meehelpen de zaak hier in beweging te krijgen. Rond 2005 is het schip naar Makkum gekomen en hebben we tijdens de visserijdagen het schip gepresenteerd op een dieplader. We hadden een transporteur uit Makkum gevonden die ons matste, want hij vond het zo fantastisch dat zo’n oud schip gerestaureerd werd. Zo zijn we door de jaren heen eigenlijk door iedereen gematst met die blazer.”

“Het is in 2000 begonnen, dus het begin heb ik niet echt meegemaakt, maar ze hebben hem nog net drijvend in Den Helder kunnen krijgen. Ik geloof dat toen ze aanlegden in de haven het roer eraf donderde. Ze hadden die zomer nog op Sail Amsterdam gelegen om fondsen te werven wat nog veel moeite kostte; het heeft lang geduurd voordat het eerste geld er was. Er waren wat fondsen die wel wat wilden doen, maar toen ze het schip zagen zeiden ze: ‘daar doen we niet aan mee, dat kan helemaal niet’. De ervaren botter-restaurateurs die erbij stonden, zeiden juist: ‘dat hebben we vaker gedaan, dat doen we nu weer’. Maar er was geen geloof. Later ging dat wel beter. Op een gegeven moment werd er een prijs uitgedeeld door het Prins Bernhard Fonds aan Botterbehoud en die heeft daarvan weer een deel aan de blazer geschonken.
Voor de crisis liep de sponsoring nog erg goed. Heel vaak hielden we een sponsordag. In Makkum hadden we een open dag voor omwoners en af en toe kwamen er ook scholen kijken die gelezen hadden dat we ermee bezig waren. Het gemeentebestuur kwam samen met gedeputeerden, want die hadden er ook een klein beetje geld in gestopt, dus die wilden ook wel eens weten waar het over ging. Zo kwamen we door de winter en in zeven jaar hadden we bijna een half miljoen besteed. Toen hadden we zelfs nog geld over en daar waren we apetrots op, want dat betekent toch dat je geen lasten overhoudt. Het ging helemaal goed.”

“Vanaf 2008 zijn we gaan varen en in de verhuur gegaan. We varen er nu elke donderdagmiddag mee en in de zomermaanden ook ‘s avonds nog een keertje. En als het laag water is op een geschikt tijdstip op een zaterdag dan proberen we nog een zeehondentochtje te maken bij Kornwerderzand. Dat gebeurt dan voornamelijk met toeristen uit de buurt van Makkum. Daarnaast kunnen we het een beetje verhuren aan groepen. Ik vaar zelf ook als schipper en vind het een fantastische uitdaging. Ik huur het schip ook elk jaar een week met mijn oude jaarclub uit ’62: Karbonkel. We hebben afgesproken dit jaar ook weer met z’n vieren te gaan varen, maar dan wel met de kinderen erbij om ons te ondersteunen. We zijn inmiddels 70ers. Het blijft heerlijk om op zo’n schip te varen.
Als ik op de blazer vaar, dan is dat net zo primitief als op de botter. Er is niks aan boord: een brandertje en water uit de jerrycan. En als de nood echt heel hoog is dan is er nog wel ergens zo’n droogtoillet achterin. Dat vind ik al heel luxe. Nou, ik krijg veel commentaar. Dat het toch wel erg primitief is. Terwijl we hele dikke matrassen hebben. Dat past in deze tijd blijkbaar niet meer. Wij merken dat onze vrijwilligers ook langzamerhand oud worden. Dus als er wat “oud-Harpysten” zijn die wat nieuws zoeken om te doen dan mogen ze zich ook melden.” (via e-mail, meer informatie over de TX33 vind je op hun website)

Zwaardje varen

Over zwaardje varen met de TX33 kan Rolf ook nog wel een verhaaltje vertellen. “We zijn met de club met de blazer naar het Duitse wad gezeild en daar wat rond gevaren. Het eerste stuurfoutje dat ik maakte bij de ingang van Juist kwam ik op de dam terecht. Dus dat was vervelend. Niet te slecht, maar het was wel even schrikken en we kwamen zelf niet meer los. We wisten dat het water net aan het vallen was, dus er was haast geboden en ik heb meteen de marifoon gepakt. Bremerhaven wou eerst de administratie voor elkaar hebben, dus voordat die daarmee klaar was lag de reddingsboot al bij ons. Die had ons al lang gezien, maar kreeg ons niet meer los. De kont kwam wel los, maar de kop bleef hangen op de dam. Toen dat gebeurde was vlak achter ons de veerboot binnen gekomen en toen hoorde ik al een heleboel geklets over de marifoon. Op een gegeven moment kwam die veerboot weer naar buiten om een hekgolf te maken en hup, toen waren we eraf. Toen zijn we braaf terug de haven in gegaan, maar het vervelende was dat de motor was opgeblazen. Die was te heet geworden en pas veel later ontdekte ik wat daar de oorzaak van was. Eerst dacht ik, dit is puinhoop, dat wordt terugslepen naar Makkum en dat is een heel eind.
We zijn eerst toch maar een nachtje gaan slapen daar en ‘s morgens hebben we toch geprobeerd die motor aan de praat te krijgen. Dat lukte en gelukkig had ik een acculader bij me, want door het vocht was die helemaal leeggeslagen.
Vervolgens zijn we naar Nordeney gevaren en verder naar Norddeich. Lekker kruisen, het was hartstikke mooi weer en er lagen wat zeehondjes. We waren lekker aan het kruisen en opeens merkten we dat het ondiep was en lagen we vast. Ondanks het zwaard dus. Gesodemieter en de motor aan, maar dat wou nog niet zo. Gelukkig is het heel druk van Norddeich naar Nordeney dus er kwam toevallig weer een veerboot langs en die wipte ons er bij het langsvaren zo af. We dachten: dit is dom; zo vaak gered worden door een hek golf… Daarom houd ik toch liever de geulen een beetje aan.”

Thermostaat stuk

“Zo zijn we weer goed terug gekomen. Maar achteraf ben ik erachter gekomen dat de thermostaat helemaal kapot was. In Makkum hebben we namelijk nog zo’n zelfde akkefietje gehad tijdens de visserijdagen. Dat ik dacht: wat gebeurt hier. Terwijl we toen gewoon voeren. Ik zag hetzelfde beeld weer, dus ik dacht motor uit, anker uit. We lagen net in de geul daar, maar gelukkig was er ook een ploegje oude sleepbootjes. Daar hebben we even mee overlegd en die sleepbootjongens wilden ons wel terug naar de haven slepen. Die vonden dat prachtig, want dan hadden ze tenminste wat te doen. We hebben ze afgekocht met een kratje bier, terwijl er ook al zo’n aasgier lag om ons weg te slepen daar.”

Modellen

Als ik om me heen kijk zie ik overal schaalmodellen van platbodems op kasten staan, maar die heeft Rolf niet allemaal zelf gemaakt.
“Ik zelf wel eens een modelletje gemaakt, maar dat was een schouwtje. Wat ik verder heb, heb ik toch allemaal gekocht. Van een jollenvriend, die had een echt grote verzameling. Die wou wat verkopen dus heb ik wat overgenomen. De jol heb ik gekocht van iemand uit Middelburg, die moest ik natuurlijk hebben maar botters vind ik ook mooi. Die klomp die daar staat hebben we ooit opgevist achter de haven van het Zuiderzeemuseum. Dan heb ik nog een heel mooi vissermodelletje van een hengst. Daar is Frits Marckmann natuurlijk akelig jaloers op. En een vissersmodelletje, ook gemaakt door een visser, van een botter en van een bonsje met Vollenhoofs nummer erop. Ik heb veel gevaren in dat gebied dus ik vind het heel leuk om die erbij te hebben. En dan nog een modelletje van een Scheveningse bom. Daar moet ik nodig eens wat aan doen, die is niet zo best meer. Bootjes, dat is erin geslopen en slijt er niet meer uit.”

Waardering

“Het is ook leuk om zo weer even wat van de club te horen. Zo kijk je weer terug op een toch vrij lange periode in mijn studietijd. Dat het allemaal nog zo door gaat, ik vind het schitterend.
Ik ben diep onder de indruk dat Trui nog steeds in de vereniging zit en in zo’n goede staat verkeerd. Dat het mogelijk is gebleken om zo’n schip in de vereniging te houden. Ik had het nooit kunnen bedenken toen wij ermee begonnen, dat het zo lang zou beklijven. Ik neem mijn pet diep af. Ga zo door!”

“Ik zag Trui in het vroege voorjaar van 2007 in Makkum binnenlopen. Ze hadden lekker gevaren, maar het was wel verdomde nat geweest. Ze waren op trainingstocht met een dikke noord-wester uit Harlingen gekomen. Toen ik me bekend maakte als oud-schipper was de reactie: uit ’62? Dat is oud! De Zachtebedrace vind ik ook een spannend verhaal. Petje af, om met zoveel principes te blijven varen. Het is ook leuk om te doen natuurlijk, maar je moet er wel de tijd voor nemen.”

Heb je nog een goede tip voor de huidige botteraars?

“Ja: stop een lek nooit met een stuk spek. De traditie was natuurlijk bij de oude VOC schepen dat je spek in een lek kon stoppen om het te dichten. Dat hebben ze een keer
met de BU122 gedaan, maar wanneer je het schip dan achterlaat zitten binnen de kortste keren ratten aan boord. Die vreten het spek eruit en toen is dus de 122 gezonken. Zorg dat je goed breeuwt.”

Wie zou ik hierna kunnen interviewen?

“Ik zit te denken aan Frits Marckmann of Gert Doornink. Die hebben in het begin er hard aan gesleurd om het aan het lopen te krijgen. Anders Kick van Bladeren. Dobbel maar. Ik weet dat Frits ook nog actief aan het varen is. Gert heeft nog bij Rijkswaterstaat in de directie van de betonning gezeten.”